Oorlogswonden

Presentatie Stichting Werkgroep Herkenning

3 december 2016

English

Beste Dames en Heren, geachte donateurs van Stichting Werkgroep Herkenning,

Mijn naam is Hendrik Jan Vermeulen. Ik ben verheugd, en ook een beetje gespannen om mijn verhaal hier met u te mogen delen. Het verhaal van mijn vader, een Duitse oudoom en de artistieke vertaling die ik als gitarist/componist daarvan heb gemaakt. Ik wil hierbij Cuny Holthuis-Buve van harte danken voor de uitnodiging om hier te komen spreken.

Met mij meegekomen zijn Patries van Iterson, zangeres met wie ik in aangepaste vorm een aantal nummers van het album Krieg voor u ga spelen, mijn vrouw Hennie, mijn zus Margreet en filmer Ronald Pras, met wie ik werk aan een documentaire over dit verhaal.

Het filmpje dat u zojuist heeft gezien toont beelden van het Franse kerkhof en Nécropole op de Hartmannsweilerkopf, een berg in de Vogezen waar tijdens de Eerste Wereldoorlog heftig om is gevochten. Hier raakte Bernhard Kronauer, één van mijn Duitse voorvaderen in 1915 gewond. Onderaan deze berg ligt de plaats Cerney, Sennheim in het Duits, waar mijn vader begin 1943 voor de Waffen-SS is opgeleid.

Dit filmpje is gemaakt voor de release van het album Krieg en maakt deel uit van de presentatie die ik nu een paar keer heb gegeven. Daarbij gaat het vooral over Bernhard Kronauer. Het album verteld zijn verhaal aan de hand van Duitse gedichten uit de Eerste Wereldoorlog. In het nieuwsbulletin van de stichting Herkenning uit mei dit jaar staat een artikel dat ik schreef over Krieg en de relatie met mijn vaders oorlogsverleden. Vandaag ligt de nadruk op het verhaal van mijn vader. Aan de hand van onderzoek dat ik deed naar zijn verleden probeer ik een beeld te schetsen van wat hij in de oorlog heeft meegemaakt

Hoewel ik mij zoveel mogelijk op feiten en/of directe overlevering baseer, is wat volgt een subjectief verhaal. Ik was er natuurlijk zelf niet bij, en de interpretaties van andere betrokkenen (mijn broer, zussen en moeder bijvoorbeeld) kunnen op onderdelen – en qua emoties – verschillen.

Ik vertel dit verhaal als ‘zoon van’ én als musicus/componist. Daarbij ben ik zoekende naar een bepaalde ordening van ‘mijn verhaal’ in het ‘geheel der dingen en gebeurtenissen’ die de 20e eeuw hebben getekend.

We spelen nu een stuk van PJ Harvey’s album Let England Shake, genaamd Hanging in the Wire. Dit album was en is een grote inspiratie voor project Krieg.

Oorlogswonden

My father in 1939, 15 years old (private collection)

Jij hebt nooit kruitdampen geroken, jongen”, zijn beruchte woorden die mijn vader vroeger op mij afvuurde wanneer ik hem aansprak op zijn bij tijd en wijlen absurde gedrag. Destijds kon het mij niet zoveel schelen en plaatste ik de uitspraak in de serie alcoholistische uitlatingen die hij had opgebouwd. Enige hilariteit ontbrak daarbij niet omdat hij in beschonken toestand niet altijd even serieus kon worden genomen. De woorden bleven echter hangen en gingen langzamerhand een eigen leven leiden, gevoed door dingen die mijn vader vertelde over zijn ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Tegelijkertijd begon zich bij mij – net als bij menig jongeling met romantische inslag – een hang naar een eigen identiteit te ontwikkelen. Daarbij drong zich een klassieke vraag aan mij op: ‘Wie ben ik en waar kom ik vandaan?’ Voor mij bleek het antwoord op deze vraag verbonden te zijn met de keuzes die mijn vader heeft gemaakt nadat zijn ouders in 1939 naar Curaçao vertrokken, en hij in Nederland achterbleef. Mijn vader was toen 14 jaar oud en ging naar de HBS, die je destijds op het Caraïbische eiland niet had.

Ik ben opgegroeid in een internistengezin. Drie oudere zussen en een jongere broer maakten naast mijn vader en moeder deel uit van dit gezin. Opgroeiend in het Groningse Stadskanaal vormde mijn wereld zich rond mijn vaders status als dokter en het idee dat we ‘import’ waren. Wij kwamen namelijk uit ‘het westen’ en onderscheidden ons daarmee van de Groningers. Zo ervoer ik de signalen uit de omgeving en de houding van mijn ouders in elk geval. Ergens gaf dit een gevoel uniek, of op zijn minst ‘anders’ te zijn. Maar het gaf ook een gevoel alleen te staan en geïsoleerd te zijn.

Waar ‘wij’ vandaan kwamen was echter niet duidelijk herleidbaar. Mijn geboortegrond ligt weliswaar in ‘het westen’, Zuid Holland om precies te zijn, maar de wortels van mijn familie liggen wijd verspreid. Zo is één opa in Indonesië geboren, de andere in Zuid Afrika. Mijn ene oma is in Zaandam geboren, de andere in Duitsland. Geen van hen heb ik persoonlijk gekend, maar de verhalen over deze mensen fascineerden mij. En om een of andere reden met name het verhaal van mijn Duitse oma.

De fascinatie voor haar verhaal leidde tot de vraag wat mijn familie tijdens de oorlog had meegemaakt. Het vinden van een antwoord op deze vraag bleek niet zo eenvoudig. Aan de ene kant omdat informatie niet voor het oprapen lag, en aan de andere kant omdat datgene wat mijn ouders vertelden niet altijd even nauwkeurig was en soms pijnlijk leek te zijn. Er werd – in het algemeen – niet met trots, bewondering of zelfs verwondering over het verleden gesproken. Meer als iets dat ‘van ons af’ staat en ‘voorbij’ is. Het had in ieder geval niets meer met ons te maken.

Mij leek het daarentegen verre van voorbij, en het gevoel om iets met dit verhaal te moeten doen werd na verloop van tijd steeds sterker. Vragen over wie mijn Duitse voorouders waren, wat hen bezighield en bezielde doolden door mijn hoofd en namen steeds vaker bezit van mijn gedachten. Het verhaal van mijn vaders collaboratie met de Duitsers en het verlies van zijn moeders familie tijdens de Eerste Wereldoorlog bood hierbij houvast, en ik creëerde een eigen wereld rondom de oorlogsverhalen binnen mijn familie.

Aanvankelijk was dit een denkbeeldige wereld: Ik had geen concreet bewijs om hetgeen mij verteld werd te verifiëren. Het was ook een ‘geheime’ wereld omdat Duitsland en haar verleden niet bepaald populair waren in de tijd waarin ik opgroeide. Daarbij had ik aan twee dingen behoefte; het vinden van authentieke informatie die de verhalen van mijn vader bevestigden, onderbouwden of tegenspraken en – moreel gezien lastiger – het begrijpen, en zelfs rechtvaardigen van mijn vaders beslissing om voor Hitler te gaan vechten.

In 2007 trok ik de stoute schoenen aan en vroeg hem of ik informatie over zijn diensttijd mocht opvragen. Hij stemde hiermee in. Een paar maanden voordat hij overleed ontving ik antwoord uit Duitsland. Ik kon zijn reactie op wat ik had gevonden niet goed peilen, maar ik dacht enige opluchting te zien. Na zijn dood ontving ik via zijn zus het bidprentje van hun Duitse oom die tijdens de Eerste Wereldoorlog sneuvelde. Hiermee begon de reconstructie van een meervoudig oorlogsverhaal. Een verhaal dat begint eind 19e eeuw in het Duitse Honnef en nu, door mij, in het openbaar wordt gebracht.

My father and myself around 1970 (private collection)

Een gat in zijn rechter bovenarm en een 10 centimeter lang litteken in de linker elleboogholte waren zichtbare bewijzen van mijn vaders oorlogsverleden. Wie was hij toen hij de verwondingen opliep? Met zekerheid geen Siegfried Sassoon, Ernst Jünger, Remy Schrijnen, Gerard Mooyman of een Leon Degrelle. Je zou eerder kunnen zeggen dat hij – zoals Jünger het zei –  “liever vijf minuten laf [was] dan een heel leven dood”. Ik heb hem namelijk eens horen zeggen dat hij zich heeft verstopt nadat ‘de aanval’ was begonnen. Ik moest daarbij denken aan korporaal Himmelstoss – de sadistische ‘Spieß’ uit Im Westen nichts Neues – die, eenmaal aan het front gekomen in een bomkrater wegkruipt om de kogels te ontlopen. En, hoewel Himmelstoss zich herpakt en zelfs een IJzeren Kruis verdient,  kreeg ik er een ongemakkelijk gevoel bij.

Was er geen Paul Bäumer – de protagonist uit Remarques roman – die mijn vader tot grootse daden had aangespoord, desnoods leidend tot een heldendood? Dit waren natuurlijk bespottelijke gedachten, maar toch voelde ik teleurstelling toen ik hoorde van zijn ‘wegkruipen’. Mijn vader – de Panzergrenadier – had zijn eigen leven verkozen boven dat van zijn kameraden en het gemeenschappelijk doel! Maar was deze decadente en ongepaste teleurstelling wel terecht?

German machine gunner on a river bank (private collection)

Mijn vader was MG schutter in Panzer Grenadier Regiment Germania, onderdeel van de Wiking divisie, officieel de 5. SS-Panzer-Division Wiking. In juni ’43 kwam hij terecht aan het front. Rode draad in zijn verhalen was de Dnjepr, een Oost-Europese rivier met een voor mij bijna mythisch klinkende naam.

Peter Strassner beschrijft in Europäische Freiwillige de zogenaamde Abwehrschlacht am Dnjepr in 1943. Na zes weken van harde afweergevechten steekt Wiking, op 27 september bij Cherkassy de rivier over. De divisie had zich al vechtend teruggetrokken van het front verder in het oosten. Massale Russische aanvallen werden ondanks een materiële en menselijke overmacht keer op keer afgeslagen. De Duitsers wisten samenhang te bewaren en waren in tactisch opzicht de Russen de baas, ondanks fysieke, morele en psychische uitputting van de troepen. Eenheden beschikten na de lange weken van vechten over minder dan de helft van hun gevechtskracht.

De Duitsers rekenden erop dat de gevechten voldoende tijdwinst hadden opgeleverd waardoor aan de westoever van de Djnepr sterke stellingen waren gebouwd. In de hoop dat de Russen hun krachten hadden verspeeld zou men deze nieuwe positie voor de winter kunnen houden en Duitsland een adempauze geven. Het parool was: Winterstellung am Djnepr – haltet aus!

Er stond hen echter een deceptie te wachten. Geen adequate overgangen, geen opvangtroepen en al helemaal geen uitgebouwde stellingen. Verder bleek het gebied rond Cherkassy te wemelen van partizanen en hadden Russische luchtlandingstroepen al enkele bruggenhoofden op de westelijke oever ingenomen. In deze, voor het Duitse leger toch wel problematische situatie bevond zich mijn vader dus ook.

Zal hij zich hebben afgevraagd hoe, en waarom hij daar in hemelsnaam terecht was gekomen? Hij was inmiddels 18 jaar oud. Een in 1921 geboren lotgenoot verwoordt zijn vuurdoop als volgt: ‘Na de eerste aanval van de Russen dacht ik “waar ben ik aan begonnen”’. En een andere reflecteert met de woorden: “Ik zat in de schuit, dom, dom, dom” en “Ik wou wat beleven, nou, ik heb wat beleefd”.

De deprimerende situatie die de Duitsers aan de westoever van de Djnepr aantroffen had een vernietigend effect op het moreel van de troepen. Desondanks staat op 1 oktober ‘43 het regiment van mijn vader klaar om ingezet te worden. Nadat verschillende aanvallen van de Wehrmacht op een Russisch bruggenhoofd waren mislukt, is het de beurt aan een alarmeenheid onder leiding van Haubtsturmführer Hans Dorr. Bij deze groep zal ook Grenadier Vermeulen hebben gehoord. In zijn proces verbaal staat opgetekend dat hij begin oktober ’43 deelneemt aan een ‘groote aanval’.

Deze aanval vindt plaats in de vroege ochtend van 2 oktober. De dag ervoor heeft het regiment meerdere Russische aanvallen moeten afslaan. Het is er daardoor niet fitter op geworden. Volgens het gevechtsbericht kwam de aanval aanvankelijk goed vooruit, maar wordt eingreifgruppe Dorr al snel afgesneden en door de Russen eenvoudigweg overspoeld. Pas in de avond lukt het om het restant van de groep te bereiken, en worden ze uit de frontlinie gehaald. De gevechtssterkte bedraagt dan nog 11 man.

Mij vader zei er ongeveer het volgende over: Toen we naar voren gingen was iedereen meteen verdwenen. Terwijl ik rende zag ik het zand omhoog spatten door de kogels die om mij heen insloegen. [hierbij simuleerde hij het geluid van een machinegeweer] Ik heb dekking gezocht en gewacht. Na verloop van tijd kwamen er tanks waarvan de bemanning mij meenam en afleverde bij een verbandplaats. Het waren opgewekte, positieve mensen. “

En later: “Ik werd op de trein naar Duitsland gezet en zag mensen onderweg sterven. Ik voelde mij terneergeslagen. Tijdens iedere halte werden doden en gewonden uitgeladen, ik bleef zitten.”

Als een van de minder zwaar gewonden wordt hij pas in het Noord Duitse Güstrow en uiteindelijk in Rostock in een hospitaal opgenomen. Hier blijft hij een aantal maanden revalideren wegens complicaties aan zijn verwondingen en een dysenterie infectie. Verhalen over deze periode gaan onder andere over de voor die tijd bijzondere operatie waarmee een granaatsplinter uit zijn elleboogholte werd gehaald, het schone zwarte uniform dat men hem komt brengen en de Nahkampfspange die hij ontvangt. Begin 1944 keert mijn vader terug naar Nederland en zal niet meer aan het front terugkeren. Tussen zijn spullen vond ik een aantal niet verstuurde postkaarten uit Rostock, het enige aandenken aan zijn tijd daar.

Postcard Skagerrak Denkmal Rostock (private collection)

Mijn tante herinnert zich dat haar moeder ergens rond dezelfde tijd op het van Nederland afgesneden Curaçao verschrikt uitroept “er is iets met Henk!”.

Volgens mijn tante dacht mijn vader dat hij in de ogen van zijn ouders iets goeds deed door in Duitse dienst te treden. Hij was immers half-Duits, en verder was de stemming binnen het gezin anti-Amerika. Amerika was een land van kapitalisten en barbaren, en de optie om hem in ’39 mee te nemen naar Curaçao en in de VS naar een HBS te sturen was dan ook uitgesloten. Ze zouden hem zijn keuze echter niet in dank afnemen, en dit nam hij hen weer kwalijk. De relatie met zijn ouders is nooit meer echt goed gekomen.

Uit verklaringen van schoolvrienden blijkt ook dat mijn vader destijds niet zozeer het nationaalsocialisme aanhing, maar het communisme als een groter kwaad zag. Volgens zijn zus zag hij Hitler daarbij als een vaderfiguur die hem, alleen gelaten in Nederland, de weg kon wijzen. Hierin was hij niet de enige. Zijn sporadische uitspraak “Hitler was een geweldige kerel” hoorde ik in een documentaire ook uit mond van een andere SS-er, gevolgd door “hij heeft van Duitsland een goudmijn gemaakt” en iets later “ik heb een hekel aan joden”. 

Toen ik in het voorjaar van 2007 mijn vader vroeg om zijn toestemming te geven om bij de Deutsche Dienststelle informatie over zijn diensttijd op te vragen, maakte hij een vreemde opmerking. Hij liet voor het eerst merken dat hij zich zorgen maakte over wat naar boven kon komen. “Straks blijkt dat ik aan allerlei verschrikkelijkheden heb meegewerkt”, waren ongeveer zijn woorden. Hiermee doelde hij waarschijnlijk op Einsatzkommandos tegen joden of burgerbevolking. Nooit heb ik mijn vader geheimzinnig horen doen over zijn ervaringen aan het front. Uiterst zelden, misschien wel nooit, liet hij zich tegenover mij negatief over Hitler en de Waffen-SS uit.

Een terugkerend thema was het verschil, het bekende mantra, tussen de Waffen-SS en de ‘gewone’ SS, waarover hij met enige minachting sprak. Maar ook daarin was hij terughoudend. De Panzergrenadiere van de W-SS waren in ieder geval ‘heel gewone soldaten’ die hun plicht deden, net als andere soldaten. Geen woord over betrokkenheid bij Jodenvervolgingen,  concentratiekampen en andere wandaden. In de woorden van een andere Nederlandse SS-man bij Wiking: ‘Als frontsoldaat speelde zich dat allemaal buiten ons gezichtsveld af. We hielden ons daar tijdens de oorlog totaal niet mee bezig’.

Wel had mijn vader het over de lessen ‘rassenleer’ en Weltanschauung tijdens de opleiding. Hij vond de onderwezen theorieën onzin, niet onderbouwd en beweerde dat hij dit niet onder stoelen of banken stak. Desondanks maakte mijn vader zich zorgen over wat er naar boven zou kunnen komen door mijn navraag bij de Dienststelle.

Terwijl hij in therapie zit schrijft hij in een dagboek “dromen over oorlogstijd en Jodenvervolging. Contact met joodse medepatiënt, die mij sympathiek is” gevolgd door “Nu ik deze zelfanalyse heb opgeschreven, voel ik me veel beter”.

Naast deze wat cryptische woorden heb ik geen concrete aanwijzingen gevonden die erop wijzen dat mijn vader betrokken geweest is bij of getuige van oorlogsmisdaden.

De tekst van het stuk dat we zojuist voor u speelden is in 1915 geschreven door Maria Benemann. Het gaat over de ervaringen van haar man, een Duitse officier, in het Belgische Visé, dat in augustus 1914 wordt verwoest en waarbij ook burgers terecht werden gesteld wegens vermeende terroristische daden. Ook in het nabij gelegen Berneau worden onschuldige burgers door Duitse soldaten vermoord. De compagnie waarin mijn oudoom Bernhard Kronauer diende is mogelijk hierbij betrokken geweest. Het was namelijk deze compagnie die terug het dorp in wordt gestuurd om de doden en gewonden op te halen die vielen door acties van zogenaamde Franc-tireurs. Veel waarschijnlijker is echter dat de nerveuse soldaten tijdens de nachtelijke mars door het dorp op elkaar hebben geschoten. Berneau hoort bij de sinistere lijst namen van Belgische plaatsen waar de Duitsers in 1914 hebben huisgehouden.

Bernard Kronauer was volgens zijn bidprentje een held, die dapper en trouw heeft gediend. Een soldaat, zoals vele andere ook. Een soldaat via welke ik mijn vaders keuze voor een deel denk te kunnen begrijpen en wiens verhaal eruit moest voordat ik verder kan met ‘de oorlog’.

Prayer card Bernhard Kronauer (private collection)

Vierentwintig en een halve maand neemt Bernhard deel aan de Eerste Wereldoorlog. De ‘grote belevenis’ die voor velen al snel uitloopt op een grote desillusie. Ik heb geen brieven waaruit blijkt hoe hij tegenover de oorlog stond. Alleen het bidprentje, en vermeldingen in de Duitse verliezenlijst en de lokale krant waaruit ik iets kan opmaken over zijn militaire carrière. Als Bernhard – na vijf keer gewond te zijn geraakt  – in september 1916 sneuvelt, is hij inmiddels opgeklommen van Musketier tot onderofficier en heeft hij het IJzeren Kruis verdiend. ‘Dapper en trouw heeft hij als koene held gediend en zijn leven aan God en het vaderland ten offer gebracht’, meldt het bidprentje.

Enige tijd nadat ik van mijn tante Bernhards bidprentje kreeg, maakte ik kennis met Geert Buelens Europa, Europa! en het eerder genoemde album Let England Shake van PJ Harvey. Buelens’ werk zette mij op het spoor van de Duitse oorlogsdichters, waardoor ik woorden vond bij het verhaal van mijn oudoom en zijn generatie. Harvey’s bewierookte album over oorlog maakte grote indruk op mij als artiest. Het was de spookachtig opdringerige en betoverende sfeer die Harvey met haar album oproept waar ik naar zocht.

Wat wellicht voor de hand lag, werd mij pas langzaamaan duidelijk: Als musicus kon ik Bernhards verhaal vertellen door authentieke oorlogsgedichten van een eigen muzikale kleur en interpretatie te voorzien. Al zoekende naar geschikte gedichten en een passende muzikale context ontstond ‘Krieg’, een album dat ik zie als een muzikale versie van een historische roman. Bernhard, de ‘protagonist’, wees de weg: Daar waar de eigen composities die ik in 30 jaar als musicus maakte op één hand zijn te tellen, kwamen ze nu als vanzelf te voorschijn. Bernhards verhaal en de ritmiek van de intense, soms huiveringwekkende teksten dreven mij voort.

Op 17 september jongstleden kwam het album uit, 100 jaar nadat Bernhard tijdens een Sturmangriff in het Oosten sneuvelde. De presentatie voelde als het begin van een afscheid. Afscheid van een oudoom die ik niet gekend heb, maar die wel vertrouwd is geworden. Een begin, omdat het nog niet zover is dat ik het verhaal en daarmee Bernhard kan laten rusten.

Cover prayer card Bernhard Kronauer (private collection)

‘Krieg’ is een persoonlijke herinnering aan mijn oudoom en tegelijkertijd opgedragen aan alle soldaten die vochten in de Groote Oorlog. Voor mij spreekt de Bijbelse spreuk op Bernhards bidprentje daarbij boekdelen. Dachten niet allen de ‘goede strijd’ te hebben gestreden? Of was het een manier van de achtergeblevenen om zin aan het vreselijke verlies te geven? Op deze vragen is natuurlijk geen eenduidig antwoord te geven. Het nummer Brüder – het gedicht van Heinrich Lersch over een soldaat die in een gesneuvelde tegenstander zijn broeder herkent – wordt op het album voorafgegaan door een passage uit Ernst Toller’s Eine Jugend in Deutschland. In deze passage schrijft Toller dat hij zichzelf door de oorlog had laten verblinden, maar dat hij nu eindelijk weet dat alle oorlogsdoden broeders zijn, en dat hij hun broeder is. Dit is een centrale gedachte die ik met het album wil uitdragen.

Sarnky Gorne 2008 (private collection)

Ukraine, zomer 2008. Ik ben met vrouw en kinderen op zoek naar Bernhards graf. Na een lange tocht over wegen die in 100 jaar soms niet veel veranderd zijn, komen we terecht op de zandweg tussen de gehuchten Sarnky en Lipica Dolna. Terwijl ik bezig ben mij te oriënteren aan de hand van een frontkaartje worden we ingehaald door een Lada. De auto stopt. Twee van vier inzittenden stappen uit en lopen op ons af. Ik open het raam van de auto, in de veronderstelling dat ze ons willen helpen met zoeken. Het dringt niet tot mij door dat we elkaar waarschijnlijk niet kunnen verstaan. Eén van de twee roept iets tegen ons terwijl ik hem het frontkaartje laat zien, wijzend op de plek waar Bernhard volgens het bidprentje te ruste is gelegd. Dan zegt mijn vrouw dat ze geld willen. Het woord ‘Euro!’ is mij volkomen ontgaan. Plotsklaps ontwaak ik uit de droom waarin alleen Bernhard en zijn kameraden bestaan. Geschrokken druk ik, niet bepaald heldhaftig, het gaspedaal in en verlaten we zo snel mogelijk de plek des onheils.

Hoewel we de velden waar Bernhard is gesneuveld hebben gezien, heb ik de plek waar hij ligt nog niet gevonden.

U krijgt nu een clip te zien van het nummer Abschied. De tekst is geschreven door Alfred Lichtenstein, de expressionistische schrijver die zich in augustus 1914 vrijwillig meldt en al in september van dat jaar sneuvelt.

Nu ik Bernhards verhaal in muziek, beeld en woord vorm heb gegeven, en daarmee het gevoel heb dat er iets gezegd is dat gezegd moest worden, is het tijd om mij op een soortgelijke manier met mijn vaders verhaal bezig te gaan houden. In feite is vandaag daarin een eerste stap.

Naast het zoeken naar een goede vorm stel ik mijzelf daarbij de vraag die Kurt Meyer – zoon van Generalmajor der Waffen-SS ‚Panzermeyer’ – opwerpt: Op welk punt bereiken mijn pogingen om mijzelf in ‘die tijd’ te verplaatsen hun grens? Leidt het tot in het absurde, terwijl het een noodzakelijk en tegelijkertijd beslist oordeel over die tijd onmogelijk maakt?

Nu snap ik goed dat vader Panzermeyer een langere schaduw op zijn zoons leven werpt dan Grenadier Vermeulen op het mijne, maar toch vind ik dat ook ik met het werk dat ik maak stelling moet innemen. En misschien vooral nu wel, nu populisme en extremisme zo aan het toenemen is. Tegelijkertijd, door in een zinloze poging te ervaren wat ‘zij’ ervoeren mij in het verleden ‘onder te dompelen’ wordt het zicht op het heden vertroebeld. Hierin de juiste woorden en vorm te vinden is mijn uitdaging als artiest. Het überhaupt te doen mijn uitdaging als mens.

En aan de andere kant is er eenvoudigweg het menselijke verhaal dat verteld kan worden. Een jongen van 18 jaar die in vreemde krijgsdienst treedt en daarvan de gevolgen moet dragen. De civiele gevolgen, wroeging over het doden van mensen, de tragische gevolgen van zijn eerste huwelijk met de vrouw bij wie hij in ’44 onderdook en de meer of minder latente impact op zijn gezin waarvan ik – in zijn woorden – de stamhouder ben.

Ik heb o.a. de boeken van Münninghoff, Fransen en Meyer gelezen waarin zij zich met hun ‘foute’ vaders uiteenzetten. Hoewel de achtergronden van deze schrijvers en daarmee ook de verhalen verschillend zijn herken ik mij in sommige dingen wel en in andere weer niet. Ik voel bijvoorbeeld geen haat of verwijten naar mijn vader over wat hij heeft gedaan, of hoe hij mij heeft opgevoed. Ik vraag mij hoogstens af wat hij aan mij probeerde door te geven, en vooral waarom.

Onder andere hierop zal ik mijn eigen antwoorden moeten vinden die ik verwerk in het vervolg van project Krieg.

Ik dank u hartelijk voor het aanhoren van mijn verhaal en het luisteren onze muziek.