Heethoofd in Champagne

 

‘s Ochtends vroeg bij Sommepy-Tahure

Over geploegde grond waait een geur van zoete parfum, marcherend over heuvels, brekend door het gordijn van loden kogels en stalen helmen, tot het verdriet over het verlies van een zoon.

———

Op een bloeimaandochtend wijst hij mij op het hazenpad bij de gedenksteen voor de onbekende soldaten op het oorlogskerkhof van Séchault. Terwijl mijn gedachten het pad inslaan besluit ik een reeks foto’s te maken. Van de insecten die op het verscholen kerkhof leven, en het stel koeien dat ons vanuit het aangrenzende veld aanstaart. Hij is bezig rondslingerende takken op een bult te verzamelen en kijkt mij voor een moment aan. Ik zie de gedachte dat ik roekeloos omga met de opslagruimte van het fototoestel door zijn hoofd schieten. Ik kijk naar hem terwijl hij de takken ruimt, wat ik nogal overdreven vind.

Vin de Poilus

Het leven an sich is betekenisloos.

Mijn handen omhelzen een glas wijn
Ik drink van de wijn
En ben onderdanig aan U
De échte Poilus!

Het frontzwijn ’s zelfmoordoffensief:
Ils ne passeront pas!
Want, het leven is betekenisloos
Maar houd in gedachte:
De wijn die wordt gebrouwen,
Voor de armen en de dood,
Heeft de geur van rottend vlees,
En ontbinding van een maatschappij in nood

Koelbloedig en nauwkeurig, zie ik je lopen aan het front
En let je even niet op, mijmerend door mijn vizier
Als een kip zonder kop, schiet ik je dood, met duivels plezier
Genadeloos en bitter, Poilus in hart en nier

Het is verwrongen ja, maar genade wordt niet verleend,
En zeker niet afgedwongen.

———

Later die dag klinkt vanuit de diepblauwe lucht gezoem van straaljagers. Brave, vaderlandslieve instrumenten van mens en techniek die ergens een ongrijpbare vijand gaan bestoken. In de verte horen we doffe dreunen. Het komt uit de richting van Camp de Suippes, een lomp geplaatst oefenterrein voor Artillerie. Het kan de gevallen soldaten en officieren van Champagne niet meer deren, evenmin als het ongemaaide gras, bezaaid met takken bij de graven van Séchault.

Kriegsgräberstätte Séchault

Het is een hele belevenis, om samen met mijn vader het ijzeren hek van een oorlogskerkhof open te knallen. Hij pakt dan het naamboek uit de ijzeren lade en begint driftig te zoeken naar ‘bekenden’. Terwijl ik hem bezie loop ik door en voel ik mij thuis op het dodenveld van weleer. We wandelen afzonderlijk wat rond. Langs de rijen geschouderde kruizen, tot we bij het herdenkingsmonument onze bevindingen zwijgend met elkaar bespreken. En zo lopen we gezamenlijk terug naar het hek om het vervolgens weer achter ons dicht te knallen.

Ik denk na over de dag waarop ik zelf zal sterven. Wat lijkt het toch een verspilde tijd. Maar daar wil ik mijn tijd nu niet mee bederven. Het maakt niet uit of ik nu over Zes-, Dertien- of Zesendertigduizend jaar sterf. Want, hoe mooi is het om te bedenken dat wij samen de dood tegemoet treden. In een zee van luchtigheid, zo diep en blauw als ik het nog niet zag vanaf de groengele heuvelruggen van dit Golgota.

Inconnu No. 1

Madeliefjes van Minaucourt

La nécropole nationale à Minaucourt-Le-Mesnil-les-Hurlus

Via een kaarsrecht slingerend pad rijden we naar Minaucourt.

De natuur is hier zo rustig en kalm dat ik mijzelf er voor een moment in verlies.
We parkeren de auto op de parkeerplaats bij de ingang van het grafveld, ik stap uit en steek een peuk op. Dan begint er een ongewoon vijandige maalstroom aan gedachtes zich van mij meester te maken. Dat ik de rustplaats van deze Poilus beter niet kan betreden.
Het komt mij voor als een gigantische, hongerige meerval. Daar sta ik, een vies miezerig wormenmensje, dat op het punt staat opgeslokt te worden door de grote bek van meerval Minaucourt.

Het aantal verslonden zielen dat hier ligt is moeilijk bevatten.
Zo’n beetje alle studenten van een Hanzehogeschool bij elkaar.

In het hart van het met kruizen bezaaide veld, hier en daar versierd met een Davidster of Arabische tekens, wappert parmant de Franse vlag. Als charmante staart van de meerval roert hij in het kolkende bloed van de dode Poilus.

Tussen dit alles bloeien madeliefjes in grote getalen, op Lentegroen gras, de witte grafstenen zacht omringend.

Ik zie dat ze gezaaid zijn vanuit de kiem van ons geluk.

———

Wanneer de avond valt zitten vader en ik in Reims te dineren. We hebben de hele dag oorlogskerkhoven bezocht, Zes in totaal. Een van de bijna Honderdduizend dode zielen die we hebben ontmoet is mijn oud-oud oom Friedrich Kronauer. Als Vierentwintigjarige Musketier uit het Rijnland sneuvelde hij op de Zeventiende dag van de Regenmaand in Negentienvijftien. Friedrich ligt begraven in een massagraf met meer dan Tienduizend anderen, waarvan Negenduizend onbekend zijn. Een van zijn bekende kameraden in het massagraf is de expressionist August Macke.

We genieten van de voorbijgangers en de vriendelijke, goed gemanierde bediening van het restaurant. Tijdens het diner benoem ik nadrukkelijk dat het kerkhof, waar de koeien ons lang en breed stonden aan te gapen, een diepe indruk op mij heeft gemaakt. Vader valt mij bijvallend in de rede. Wat wij daar hebben ervaren is een diepere betekenis van het leven: Een plek vinden waar je tot jezelf komt. Waar anders kom ik tot rust, als er zoveel drukte en hysterie in en om mij heen bestaat? Waar anders kan ik mijn gedachtes laten gaan en mijzelf verenigen met het zijn?

Het is o zo prettig vertoeven tussen de doden, in de velden waar niets verborgen kan worden. Ik laat de spanning gaan, kom tot rust, laat het stromen en kom tot inzicht: Bezie de kudde bij Séchault.

Na het diner betaalt vader de rekening. Omdat mijn sigaretten op zijn vraagt hij de bediende waar we sigaretten kunnen kopen. Deze wijst ons de weg verder Reims in. Na zo’n Driehonderd meter zien we een opgewonden vadsige man staan schelden en tieren op een iel mannetje op wielen. De man op wielen is weerloos en wil zich duidelijk uit de benen maken. Zijn rolstoel weerhoudt hem daarvan. Terwijl er zich een aantal sussende burgers om het duo verzamelt haalt de driftkop venijnig uit naar de ongelukkige gehandicapte – Pets! – vol in zijn gezicht. Ik dacht aan de eerste keer dat Carl Zuckmeyer zag hoe een lading shrapnels door iemands gezicht vloog, een bloederige brij achterlatend waaruit onophoudelijk geschreeuw klonk. Mijn zin in sigaretten is bedorven.

Vriendschap

Souain-Perthes-lès-Hurlus

Vader en ik nemen afscheid en wensen elkaar geluk toe. Tot het kruis boven op de berg. Met mijn gelukkige peuk slenterend door de oeroude loopgraven, daal ik steeds verder af in de groeven van mijn voorouders. Als ik bijna de bodem van mijn ingeslagen gedachten heb bereikt, kruist zijn pad het mijne weer. Ik bedacht hem een ingewikkelde gedachte voor te leggen. Over het nut en nadeel van geschiedenis voor het leven en de dood. Twijfelend onvoorzichtig sprekend bezie ik zijn gelaat, vol angst en paniek. Ik denk sporen van desinteresse te bespeuren. “Ga weg, kom op zeg, dat wil ik niet van je horen jongen! En bovendien kan ik je niet helpen”. Houdt hij mij tegen met die woorden? Laat ik zoiets toe, van hem? Eenieder moet zijn eigen angst onder ogen zien.

Ik besluit alleen verder te gaan.

Namenbuch

Het is een doffe klap, ik wil het niet geloven: Er worden geen sigaretten verkocht in de supermarktgigant E.Leclerc Brico in Cernay! Het zal toch niet zo zijn, op de plek waar een granaatscherf zich het hoofd van een voorouder inboorde? Geen paniek, ik probeer het wel bij het aangelegen benzinepompstation. De allervriendelijkste kassamedewerker daar stelt mij echter teleur hij verkoopt geen sigaretten. De kassier legt uit dat verderop in de stad een winkel is die wel sigaretten verkoopt. Hij schrijft de route uit op papier en loopt met mij naar de deur waarna hij een peuk op steekt.

We rijden de straat uit over een brug. Bij de stoplichten slaan we rechtsaf, en dan bij het gemeentehuis links. We komen bij een marktplein met een kerkje. Ik stap uit en loop om de kerk heen, over het marktplein richting winkels die allen gesloten zijn. Slechts een zonderlinge vrouw met een hond loopt samen met mij over het eenzame marktplein.

In een straat achter de gesloten winkels, staan een stel Fransozen te paffen. Een van de heren zegt dat ze bij de kebabzaak sigaretten verkopen. De beste man loopt een stuk met mij mee de goede kant op. Wanhopig verlangend steven ik af op de kebabzaak. Ruw vraag ik de Turk achter de balie om tabak. Het antwoord vernietigt mijn vraag met een dodelijke blik: Non! Alle moed zinkt mij in de schoenen.

We rijden verslagen terug naar ons bivak in het bos van Wattwiller. Als we langs een gesloten tabakszaak rijden neem ik mij voor om daar de volgende dag coûte que coûte sigaretten te kopen. Het werd een taaie avond vol granaatscherven.

Dood

Tussen Souain en Navarin

Het is nacht, ik zweef door de loopgraven. Er liggen dode jongens in door henzelf gegraven loopgraven. Een van hen wenkt naar mij, ruikend naar verschaald bier. Mijn hart krimpt ineen: in zijn bekende gezicht zitten gaten en zijn lichaam bestaat uit aan flarden geschoten stukken vlees. Terwijl ik zijn kapotte hoofd strelend in mijn armen neem, spreekt hij woorden die ik niet begrijp. Het klinkt als een stroperig beekje water, dat langzaam en pijnlijk aan het uitdrogen is. Ik sluit zijn ogen en vertrek. Terwijl hij mij gorgelend naroept droom ik ijlend verder.

Ferme Navarin, 1930 (cndp.fr)

Maarten Vermeulen

Juni, Tweeduizend Achttien

12 thoughts on “Heethoofd in Champagne”

  1. Je neemt de lezer mee naar het moment, wat je erbij voelt en hoe je gedachten je meeslepen. Dit doe je, vind ik, op een betoverende wijze door je fijne zinnenspinsels en het chronologische verhaal wat het een samenhangend geheel maakt. Erg mooi. Ben benieuwd naar meer, wie weet kunnen we een keer samen zitten en kijken naar mogelijkheden.

  2. Terwijl ik als surveillant bij herexamens van oa geschiedenis zit, af en toe kijkend naar de examenisten, lees ik je verhaal. Het is of ik naast met je mee loop. Bijzonder geschreven maarten.

  3. Ik wist niet wat te verwachten toen ik hoorde dat je met deze blog bezig was, maar je hebt mij totaal verrast met je bijzondere stijl van schrijven!

  4. Sterke openingszin. Je hebt een scherp oog voor details. Mooie kadans tussen feitelijke observaties en persoonlijke mijmeringen over het leven en de dood. Un vrai raconteur. Salut!

  5. Mooi stuk! Ik ben zelf ook naar veel voormalige frontlinies van de eerste wereldoorlog geweest. Blijft elke keer een indrukwekkende ervaring.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Calculate (for security) *